1• Er kunnen stoffen worden toegediend die voorkomen dat eicellen bij de vrouw uitrijpen en dat de eisprong optreedt.
2• Ervoor zorgen dat de zaadcellen en de eicellen elkaar niet kunnen bereiken.
3• Geen gemeenschap hebben tijdens de vruchtbare periode (het timen van de eisprong) of geen zaadlozing in de schede te hebben.
4• Voorkomen dat een bevruchte eicel zich kan nestelen in de baarmoeder.
|