09 364 81 11

acuut coronair syndroom

WAT IS ACUUT CORONAIR SYNDROOM?


Acuut coronair syndroom omvat onstabiele angina pectoris en hartinfarct (myocardinfarct). Beide aandoeningen worden gekenmerkt door myocardischemie (de aanvoer van zuurstof is onvoldoende om aan de vraag naar zuurstof van de hartspier te voldoen) die te wijten is aan de abrupte onderbreking van de bloeddoorstroming in een kransslagader (coronaire arterie) door de vorming van een bloedklonter (trombus). In het geval van onstabiele angina pectoris leidt dit niet tot afsterven (necrose) van hartspiercellen, maar bij een myocardinfarct wel. In de praktijk wordt dit onderscheid gemaakt op basis van cardiale troponines, eiwitten die bij necrose uit de hartspiercellen lekken. Bij onstabiele angina pectoris zijn de cardiale troponines niet gestegen in het bloed, maar bij een myocardinfarct wel. Op basis van het elektrocardiogram (ECG) wordt ook nog een belangrijk onderscheid gemaakt tussen niet-ST elevatie myocardinfarct (NSTEMI) en ST elevatie myocardinfarct (STEMI).



WAT ZIJN DE SYMPTOMEN?


Meestal heeft de patiënt angina, een diffuus beklemmend gevoel of pijn onder het borstbeen of in de linker borstkas met mogelijk uitstraling naar schouder, arm, rug, nek, onderkaak of maagstreek. Andere mogelijke symptomen zijn kortademigheid, zwakte, misselijkheid en/of braken, pijn in de maagstreek, overvloedig zweten, hartkloppingen, flauwvallen of plotse hartstilstand.



HOE STELT MEN DE DIAGNOSE?


De belangrijkste onderzoeken zijn het elektrocardiogram (ECG) en cardiale troponines. Bij een ST elevatie myocardinfarct (STEMI) geeft het ECG ook informatie over de plaats van het infarct. Cardiale troponines kunnen bij vroege presentatie in het ziekenhuis nog negatief zijn, maar 80% van de patiënten met een myocardinfarct hebben wel al na 2 à 3u een positieve test. De mate van stijging geeft een idee van de omvang van het infarct.
Bij twijfel kunnen echter aanvullende onderzoeken vereist zijn zoals echocardiografie, radionuclide onderzoek myocardperfusie, CT coronarografie of een cardiale stress test.



HOE BEHANDELEN?


Het risico op overlijden tijdens de opname in het ziekenhuis is de voorbije decennia gedaald dankzij verbeteringen in de behandeling en bedraagt 2,5-10% voor STEMI en 2-4% voor NSTEMI.


Bij STEMI bestaat de behandeling uit de combinatie van reperfusie en medicijnen. Reperfusie houdt in dat de bloeddoorstroming in de aangetaste kransslagader hersteld wordt. Dit gebeurt bij voorkeur door een primaire percutane coronaire interventie (PCI). Trombolyse (ook fibrinolyse genoemd) biedt een alternatief. Als de primaire PCI faalt of verwikkelingen kent of bij mechanische verwikkelingen van het myocardinfarct voert men een coronaire overbruggingsoperatie (vaak gebruikt men de Engelstalige afkorting CABG voor coronary artery bypass graft) uit.


Bij NSTEMI kiest men tussen enerzijds een invasieve strategie met de combinatie van reperfusie en medicijnen voor hoog-risico patiënten en anderzijds een conservatieve strategie met enkel medicijnen voor laag-risico patiënten. De opties voor reperfusie zijn PCI of CABG. Trombolyse is geen optie bij NSTEMI.
De gebruikte medicijnen zijn zowel bij STEMI als NSTEMI: twee producten die het samenklonteren van bloedplaatjes belemmeren (antiaggregantia; men spreekt van double antiplatelet therapy of DAPT); een remmer van de bloedstolling (anticoagulans); een bètablokker; een ACE inhibitor of sartaan; en een statine.



HOE ZIET HET VERDERE BELEID ER UIT?


Ook het risico op overlijden op langere termijn is de voorbije decennia gedaald en schommelt voor zowel STEMI als NSTEMI tussen 5 en 10% tijdens het eerste jaar na het infarct.


Na 3 à 7d, al dan niet nog vóór ontslag uit het ziekenhuis, evalueert men de functie van de linker ventrikel met echocardiografie aangezien dit een zeer belangrijke invloed heeft op de verdere prognose. Bij patiënten zonder reperfusie of met slechts gedeeltelijke reperfusie zal men eventuele resterende ischemie opsporen met een cardiale stress test.


De double antiplatelet therapy (DAPT) wordt minstens 12 maanden verdergezet en vaak merkelijk langer. Acetylsalicylzuur, dat deel uitmaakt van DAPT, wordt onbeperkt verder gezet in lage dosis. Ook de bètablokker, ACE inhibitor (of sartaan) en statine worden verder gebruikt.


Cardiale revalidatie en secundaire preventie van hart- en vaatziekten zijn eveneens aangewezen

Dit artikel werd bijgewerkt op dinsdag 6 november 2018