09 364 81 11

Verwikkelingen van kunstkleppen

Zowel mechanische als biologische (doorgaans bestaande uit dierlijk weefsel) kunstkleppen zijn in gebruik. Bij patiënten jonger dan 55 jaar voor een aortaklep en jonger dan 70 jaar voor een mitralisklep geeft men de voorkeur aan een mechanische klep omdat ze minder snel slijten. Als de patiënt een contra-indicatie heeft voor antistolling (anticoagulatie) is een biologische klep aangewezen.


Patiënten met kunstkleppen moeten nauwgezet opgevolgd worden en bij optreden van nieuwe symptomen is een echocardiografie vereist.


Om de vorming van bloedklonters op de kunstklep (kleptrombose) en trombo-embolische aandoeningen te voorkomen, maakt men gebruik van anticoagulatie. Bij een mechanische klep dient dit levenslang te gebeuren. Bij een biologische klep blijft dit beperkt tot de eerste 3 tot 6 maanden na de implantatie. In beide gevallen neemt de patiënt wel levenslang aspirine in een lage dosis.


Volgende verwikkelingen komen vaker voor bij mechanische kleppen: lek naast de kunstklep (paravalvulaire insufficiëntie), bloedarmoede door beschadiging van de rode bloedcellen (hemolytische anemie), bloedingen door de anticoagulatie, kleptrombose en trombo-embolische aandoeningen.  De verwikkelingen die dan weer vaker voorkomen bij biologische kleppen zijn: slijtage,  lek lang de opening van de kunstklep (transvalvulaire insufficiëntie), laattijdige infectieuze endocarditis en een onevenwicht tussen de opening van de kunstklep en de lichaamsgrootte van de patiënt (in de Engelstalige medische literatuur spreekt men van prosthetic valve-patient mismatch). Een laatste verwikkeling is een belemmering van de bloedstroom langs de kunstklep (stenose).


Bij ernstige verwikkelingen is het nodig om een nieuwe kunstklep te plaatsen.

Dit artikel werd bijgewerkt op donderdag 13 december 2018