09 364 81 11

Voorkamerfibrilatie

WAT IS VOORKAMERFIBRILLATIE?

Bij voorkamerfibrillatie (VKF) of atriumfibrillatie (AF) is het ritme van de voorkamers (atria) van het hart zeer snel en volledig onregelmatig. Hierdoor trekken de atria ongecontroleerd samen wat een negatieve invloed heeft op de pompfunctie van het hart.


VKF is de meest frequent voorkomende hartritmestoornis (1-2% van de algemene bevolking). Prevalentie en incidentie stijgen met de leeftijd en het komt wat frequenter voor bij mannen dan bij vrouwen. Heel wat aandoeningen verhogen het risico op VKF: hoge bloeddruk (hypertensie), hartkleplijden, hartinfarct, hartfalen, obstructieve slaapapneu, overgewicht (obesitas), chronisch nierlijden, suikerziekte (diabetes mellitus) en hyperthyroïdie. Ook bij alcoholmisbruik loopt men risico en na (hart)chirurgie is het risico tijdelijk verhoogd. Ten slotte speelt ook erfelijkheid een rol want het risico is groter indien men een eerstegraadsverwant heeft met VKF.


Men maakt een onderscheid tussen paroxysmale VKF (stopt spontaan of door interventie binnen 7 dagen), persisterende VKF (duurt langer dan 7 dagen), langdurig persisterende VKF (duurt langer dan 12 maanden) en permanente VKF (arts en patiënt hebben besloten om geen pogingen meer te doen om het normale sinusritme te herstellen).


VKF gaat gepaard met een hoger risico op overlijden, beroerte en hartinfarct.


WAT ZIJN DE SYMPTOMEN?

Een episode van VKF kan gepaard gaan met hartkloppingen (palpitaties), een snelle pols (tachycardie), vermoeidheid, zwakte, duizeligheid, inspanningsintolerantie, kortademigheid (dyspneu), een beklemmend gevoel op de borstkas (angina) of flauw vallen (syncope). Maar tot wel 90% van de episodes verlopen zonder symptomen.


Episodes kunnen uitgelokt worden door een acute aandoening (hyperthyroïdie, longembolie, longontsteking, …), inspanning, emotie of alcohol.


HOE STELT MEN DE DIAGNOSE?

De hartritmestoornis kan aangetoond worden met een elektrocardiogram (ECG). Soms is een ambulante ECG monitoring gedurende enkele dagen of zelfs weken aangewezen. Een echocardiografie geeft informatie over de functie van het hart en kan een eventuele bloedklonter in de atria aantonen. Ook een cardiale stress test is nuttig in sommige gevallen.


HOE BEHANDELEN?

Voor de behandeling zijn twee strategieën beschreven, hetzij het normale sinusritme herstellen en behouden (in de Engelse medische literatuur spreekt men over ‘rhythm control’), hetzij het ventrikelritme verlagen (in de Engelse medische literatuur spreekt men over ‘rate control’).


Bij de meeste patiënten geniet ‘rate control’ de voorkeur omdat men toch frequent hervalt naar VKF met ‘rhythm control’. Bovendien loopt men dan geen risico op nevenwerkingen van antiaritmica en complicaties van katheterablatie. In volgende situaties krijgt ‘rhythm control’ echter de voorkeur: onvoldoende controle van het ventrikelritme of aanhoudende symptomen met ‘rate control’; hartfalen; jongere patiënten; VKF in vroegtijdig stadium met laag risico op herval.


Voor ‘rate control’ zijn er twee opties: medicatie die de elektrische geleiding van de atria naar de ventrikels in de atrioventriculaire knoop vertraagt is de eerstelijnstherapie; of katheterablatie van de atrioventriculaire knoop en implantatie van een permanente pacemaker bij falen van of intolerantie voor deze medicatie. Bij katheterablatie wordt doelgericht hartweefsel vernietigd met hitte (radiofrequentie-ablatie) of intense koude (cryoablatie).


Wanneer men het normale sinusritme herstelt, spreekt men van cardioversie. Dit kan gebeuren met een elektrische shock – wat de voorkeur geniet – of met medicijnen tegen hartritmestoornissen (antiaritmica).

 
Voor ‘rhythm control’ zijn er drie opties: antiaritmica zijn de eerstelijnstherapie; katheterablatie
wordt doorgaans pas gebruikt bij falen van of intolerantie voor antiaritmica; en chirurgische ablatie (de zogenaamde Cox-Maze procedure) wordt bijna uitsluitend toegepast naar aanleiding van een andere hartingreep. Omdat de elektrische impulsen die aanleiding geven tot VKF zeer vaak ontstaan in de buurt van de oorsprong van de  longvenen in het linker atrium worden de longvenen qua elektrische geleiding bij katheterablatie geïsoleerd van de rest van het linker atrium (in de Engelse medische literatuur spreekt men over ‘pulmonary vein isolation’). De helft (53%) van de patiënten is vrij van VKF na één procedure en tot 83% na meerdere procedures. Minder dan 2% van deze procedures geven aanleiding tot ernstige complicaties.


WAT IS HET BELANG VAN ANTISTOLLING BIJ VOORKAMERFIBRILLATIE?

Bij VKF kan er een bloedklonter (trombus) gevormd worden in de atria en dit vooral in het linker hartoor. Stukjes van deze klonter kunnen los komen en via de bloedbaan vervoerd worden tot ze klem komen te zitten in kleine bloedvaatjes (embolie), bijvoorbeeld in de hersenen, longen of benen. De gebieden achter de verstopping krijgen dan te weinig bloed en dus zuurstof. VKF gaat dus gepaard met een hoger risico op een beroerte en andere trombo-embolische aandoeningen.


Met behulp van een risicomodel zoals de CHA2DS2-VASc score zal men voor elke patiënt met VKF zijn of haar risico inschatten. Indien dit risico voldoende hoog is, wordt de patiënt op langdurige antistolling (anticoagulatie) geplaatst. Dit verlaagt het risico op embolisatie met wel 70%. De keerzijde hiervan is een stijging van het risico op een uitgebreide bloeding.


Orale anticoagulantia, met name directe orale anticoagulantia (DOAC’s) of vitamine K antagonisten, genieten de voorkeur op aspirine.


Bij noodzaak aan maar tegenindicatie voor anticoagulatie, kan men het linker hartoor opvullen met specifieke toestelletjes (percutane occlusie). Men kan het linker hartoor ook afbinden (ligatie) of wegsnijden (amputatie) ter gelegenheid van een andere hartingreep.

Dit artikel werd bijgewerkt op dinsdag 6 november 2018