09 364 81 11

Percutane coronaire interventie

Bij onstabiele angina pectoris of een hartinfarct (myocardinfarct) is er sprake van myocardischemie (de aanvoer van zuurstof is onvoldoende om aan de vraag naar zuurstof van de hartspier te voldoen) omwille van de abrupte onderbreking van de bloeddoorstroming in een kransslagader (coronaire arterie) door de vorming van een bloedklonter (trombus). Bij stabiele angina pectoris is er eveneens myocardischemie, maar in dit geval omwille van de chronische belemmering van de bloeddoorstroming door de blijvende vernauwing van de kransslagader.

Bij ST elevatie myocardinfarct (STEMI) bestaat de behandeling uit de combinatie van reperfusie en medicijnen. Reperfusie houdt in dat de bloeddoorstroming in de aangetaste kransslagader hersteld wordt. Dit gebeurt bij voorkeur door een primaire percutane coronaire interventie (PCI) wanneer men voorziet dat deze kan uitgevoerd worden binnen 120 minuten na het eerste medisch contact. Bij NSTEMI kiest men tussen enerzijds een invasieve strategie met de combinatie van reperfusie en medicijnen voor hoog-risico patiënten en anderzijds een conservatieve strategie met enkel medicijnen voor laag-risico patiënten. Bij stabiele angina pectoris volgt men in de eerste plaats een conservatieve strategie met enkel medicijnen. Indien men hiermee echter onvoldoende resultaat bekomt, is een reperfusie aangewezen.

De arts bekomt toegang tot een slagader ter hoogte van de pols of in de lies. Een katheter met een opblaasbare ballon aan het uiteinde wordt via de lichaamsslagader (aorta) opgeschoven tot aan de vernauwing of verstopping in de aangetaste kransslagader. Percutane transluminale coronaire angioplastiek (PTCA), waarbij het bloedvat enkel verbreed wordt door de ballon op te blazen, wordt nog zelden toegepast. In de meerderheid van de gevallen wordt een stent (een metalen spiraaltje) geplaatst ter hoogte van de vernauwing of verstopping. Men onderscheidt twee soorten stents: zogenaamde drug-eluting stents (DES) geven een bepaalde stof vrij die voorkomt dat het bloedvat snel weer vernauwt ter hoogte van de stent; en bare-metal stents (BMS) doen dit niet. Drug-eluting stents genieten de voorkeur.

Tijdens de procedure dient men de patiënt twee producten toe die het samenklonteren van bloedplaatjes belemmeren (antiaggregantia; men spreekt van double antiplatelet therapy of DAPT), alsook een remmer van de bloedstolling (anticoagulans). Het anticoagulans wordt gestopt aan het einde van de procedure, maar de DAPT wordt gedurende minstens 6 maanden (stabiele angina pectoris) of 12 maanden (onstabiele angina pectoris, myocardinfarct) verder gezet. Indien er geen verwikkelingen optreden, wordt dit met 18 maanden (stabiele angina pectoris) of 36 maanden (onstabiele angina pectoris, myocardinfarct) verlengd.

PCI kan gepaard gaan met ernstige verwikkelingen zoals overlijden, myocardinfarct of beroerte. Andere mogelijke verwikkelingen zijn deze ter hoogte van de toegang tot de slagader, bloedingen, hartritmestoornissen en geleidingsstoornissen, letsels van hart en grote bloedvaten, allergische reacties, cholesterolembolie, acuut nierfalen en verwikkelingen ter hoogte van de kransslagader.

Stent trombose is de abrupte vorming van een bloedklonter in of net naast de stent. De meeste gevallen komen voor binnen de eerste maand na stenting. Stent restenose is een geleidelijke vernauwing ter hoogte van de stent. Dit gebeurt vooral tijdens het eerste jaar na stenting.